Summary
Dutch to German: more detail...
- uitwijzen:
-
Wiktionary:
- uitwijzen → ausweisen, zeigen
- uitwijzen → sich herausstellen, sich zeigen, begründen, beweisen, erhärten, demonstrieren, darstellen, vorführen, beglaubigen, bescheinigen, bezeugen, bestätigen, belegen, beteuern, Zeugnis ablegen, zeugen, erweisen, bestimmen, andeuten, markieren, zeichnen, anzeichnen, kennzeichnen, angeben, weisen, anweisen, hinweisen, zeigen, auslesen, wählen, auswählen, erwählen, aussuchen, auserwählen, eine Auswahl treffen, argumentieren, rechtfertigen
Dutch
Detailed Translations for uitwijzen from Dutch to German
uitwijzen:
Conjugations for uitwijzen:
o.t.t.
- wijs uit
- wijst uit
- wijst uit
- wijzen uit
- wijzen uit
- wijzen uit
o.v.t.
- wees uit
- wees uit
- wees uit
- wezen uit
- wezen uit
- wezen uit
v.t.t.
- ben uitgewezen
- bent uitgewezen
- is uitgewezen
- zijn uitgewezen
- zijn uitgewezen
- zijn uitgewezen
v.v.t.
- was uitgewezen
- was uitgewezen
- was uitgewezen
- waren uitgewezen
- waren uitgewezen
- waren uitgewezen
o.t.t.t.
- zal uitwijzen
- zult uitwijzen
- zal uitwijzen
- zullen uitwijzen
- zullen uitwijzen
- zullen uitwijzen
o.v.t.t.
- zou uitwijzen
- zou uitwijzen
- zou uitwijzen
- zouden uitwijzen
- zouden uitwijzen
- zouden uitwijzen
diversen
- wijs uit!
- wijst uit!
- uitgewezen
- uitwijzend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
Translation Matrix for uitwijzen:
Verb | Related Translations | Other Translations |
abschieben | uitwijzen | afschepen; afschuiven; afwimpelen; ontheffen; ontslaan; terzijde schuiven; uitsturen; verzenden; wegsturen; wegzenden |
ausstossen | bannen; bezweren; uitbannen; uitstoten; uitwijzen; uitzetten; verbannen; verdrijven; verjagen; wegjagen | |
ausweisen | uitwijzen | deporteren; legitimeren; uitzetten |
verbannen | bannen; bezweren; uitbannen; uitstoten; uitwijzen; uitzetten; verbannen; verdrijven; verjagen; wegjagen |
Wiktionary Translations for uitwijzen:
uitwijzen
Cross Translation:
verb
Cross Translation:
From | To | Via |
---|---|---|
• uitwijzen | → sich herausstellen; sich zeigen | ↔ prove — to turn out; to manifest |
• uitwijzen | → begründen; beweisen; erhärten; demonstrieren; darstellen; vorführen; beglaubigen; bescheinigen; bezeugen; bestätigen; belegen; beteuern; Zeugnis ablegen; zeugen; erweisen | ↔ démontrer — prouver d’une manière évidente et convaincante. |
• uitwijzen | → bestimmen; andeuten; markieren; zeichnen; anzeichnen; kennzeichnen; angeben; weisen; anweisen; hinweisen; zeigen; auslesen; wählen; auswählen; erwählen; aussuchen; auserwählen; eine Auswahl treffen | ↔ désigner — Traduction à trier |
• uitwijzen | → angeben; weisen; anweisen; hinweisen; zeigen; andeuten | ↔ indiquer — montrer, désigner une personne ou une chose. |
• uitwijzen | → angeben; weisen; anweisen; hinweisen; zeigen | ↔ montrer — faire voir ; exposer aux regards. |
• uitwijzen | → argumentieren; begründen; belegen; beweisen; erhärten; rechtfertigen | ↔ prouver — établir la vérité de quelque chose par le raisonnement ou par le témoignage. |