Dutch

Detailed Translations for steeg from Dutch to Spanish

steeg:

steeg [de ~] noun

  1. de steeg
    el callejón

Translation Matrix for steeg:

NounRelated TranslationsOther Translations
callejón steeg slop; straatje; uitzichtloze situatie

Related Words for "steeg":

  • steegje, steegjes

Wiktionary Translations for steeg:

steeg
noun
  1. zeer smal straatje

Cross Translation:
FromToVia
steeg callejón alley — narrow street
steeg calleja; callejuela Gasse — enge Straße, schmaler Weg zwischen Zäunen oder Mauern

steeg form of stijgen:

Conjugations for stijgen:

o.t.t.
  1. stijg
  2. stijgt
  3. stijgt
  4. stijgen
  5. stijgen
  6. stijgen
o.v.t.
  1. steeg
  2. steeg
  3. steeg
  4. stegen
  5. stegen
  6. stegen
v.t.t.
  1. ben gestegen
  2. bent gestegen
  3. is gestegen
  4. zijn gestegen
  5. zijn gestegen
  6. zijn gestegen
v.v.t.
  1. was gestegen
  2. was gestegen
  3. was gestegen
  4. waren gestegen
  5. waren gestegen
  6. waren gestegen
o.t.t.t.
  1. zal stijgen
  2. zult stijgen
  3. zal stijgen
  4. zullen stijgen
  5. zullen stijgen
  6. zullen stijgen
o.v.t.t.
  1. zou stijgen
  2. zou stijgen
  3. zou stijgen
  4. zouden stijgen
  5. zouden stijgen
  6. zouden stijgen
diversen
  1. stijg!
  2. stijgt!
  3. gestegen
  4. stijgemd
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

stijgen [znw.] noun

  1. stijgen (opstijgen; stijging; omhoogkomen; klimmen)
    el alza; el aumento; el crecimiento; el incremento; el despegue
  2. stijgen (opklimmen)
    el ascenso; el subir

Translation Matrix for stijgen:

NounRelated TranslationsOther Translations
alza klimmen; omhoogkomen; opstijgen; stijgen; stijging opstijging
ascenso opklimmen; stijgen beklimming; bestijging; klim
aumento klimmen; omhoogkomen; opstijgen; stijgen; stijging aangroei; aanvulling; aanwas; aanwinst; bijbetaling; cumuleren; expansie; gezwel; groei; groter worden; knobbel; opaarden; opeenhopen; ophopen; opstapelen; stapelen; stijging; toename; toename voorraad; toeneming; tumor; uitbreiding; uitvergroting; uitzetting; vergroting; verhogen; verhogen van de waarde; verhoging; vermedevuldigen; vermeerdering; versterking
crecer aanwassen; aanzwellen
crecimiento klimmen; omhoogkomen; opstijgen; stijgen; stijging aangroei; aanwas; aanwinst; bloei; bloeiperiode; expansie; gezwel; groei; groter worden; knobbel; ontplooiing; ontwikkeling; opbloei; stijging; toename; toeneming; tot bloei komen; tumor; uitbreiding; verhoging; vermedevuldigen; vermeerdering; versterking; vooruitgang; vordering; wasdom
despegar afvloeien; wegstromen; wegvloeien
despegue klimmen; omhoogkomen; opstijgen; stijgen; stijging opstijging
incremento klimmen; omhoogkomen; opstijgen; stijgen; stijging aangroei; aanwas; aanwinst; expansie; groei; groter worden; stijging; toename; toeneming; uitbreiding; verhoging; vermedevuldigen; vermeerdering; versterking; vooruitgang; vordering
subir opklimmen; stijgen oprijden
VerbRelated TranslationsOther Translations
alzar el vuelo de hoogte ingaan; in de lucht omhoogstijgen; opstijgen; stijgen omhoogkomen; opstijgen; opvliegen
alzarse de hoogte ingaan; in de lucht omhoogstijgen; opstijgen; stijgen in de hoogte steken; omhoogrijzen; omhoogsteken; ontspinnen; oprijzen; rijzen
ascender aanwassen; de hoogte ingaan; in de lucht omhoogstijgen; klimmen; omhoog gaan; omhoog komen; omhoog rijzen; omhoogklimmen; omhoogstijgen; opstijgen; rijzen; stijgen beklimmen; bevorderd worden; bovenkomen; hoger worden; hogerop komen; klimmen; omhoogkomen; opklauteren; opklimmen; oprijzen; opstijgen; opvliegen; opwaarts gaan; rijzen; zich opwerken
aumentar aangroeien; aanwassen; aanwinnen; aanzwellen; de hoogte ingaan; gedijen; groeien; groter worden; omhooggaan; opzetten; stijgen; toenemen; vermeerderen aankaarten; aanknopen; aansnijden; bezwaren; entameren; expanderen; gesprek aanknopen; gewicht toevoegen; openen; opvoeren; opwerpen; starten; te berde brengen; ter sprake brengen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vergroten; vermeerderen; verruimen; verwijden; verzwaren; zwaarder maken
crecer aangroeien; aanwassen; aanwinnen; aanzwellen; de hoogte ingaan; gedijen; groeien; groter worden; omhooggaan; opzetten; stijgen; toenemen; vermeerderen dik worden; expanderen; groeien; groot worden; hoger worden; ijlen; jachten; jagen; jakkeren; lengen; openen; opgroeien; opschieten; opzwellen; reppen; snellen; spoeden; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; uitgroeien; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwijden; vliegen; volgroeien; volwassen worden; zich haasten; zich spoeden
despegar de hoogte ingaan; in de lucht omhoogstijgen; opstijgen; stijgen aanvangen; afstomen; afweken; beginnen; doorbreken; loskomen; losweken; omhoogkomen; ontslagen worden; op vrije voeten gesteld worden; opstijgen; opvliegen; starten; van start gaan; vrijkomen
echarse a volar de hoogte ingaan; in de lucht omhoogstijgen; opstijgen; stijgen afvliegen; omhoogkomen; opstijgen; opvliegen; verwaaien; wegstuiven; wegvliegen; wegwaaien
elevarse de hoogte ingaan; in de lucht omhoogstijgen; opstijgen; stijgen hoger worden; jezelf opwerken; naar boven drijven; naar boven jagen; omhoogdrijven; omhoogjagen; omhoogkomen; omhoogrijzen; oprijzen; opstijgen; opvliegen; opwerken; prijs opdrijven; rijzen; uit een minder gunstige positie vooruitkomen; vooruitkomen
engrandecer aangroeien; aanwassen; aanwinnen; aanzwellen; de hoogte ingaan; gedijen; groeien; groter worden; omhooggaan; opzetten; stijgen; toenemen; vermeerderen
escalar de hoogte ingaan; in de lucht omhoogstijgen; opstijgen; stijgen beklimmen; beroven; binnen breken; een inbraak doen; escaleren; inbreken; inklimmen; omhoogrijzen; oprijzen; rijzen; schaal aanpassen; uit de hand lopen
inclinarse hacia arriba de hoogte ingaan; in de lucht omhoogstijgen; opstijgen; stijgen omhoogrijzen; oprijzen; rijzen
ir subiendo klimmen; omhoog gaan; omhoogklimmen; omhoogstijgen; stijgen beklimmen; klimmen; omhoogklimmen; opklauteren; opklimmen
montarse de hoogte ingaan; in de lucht omhoogstijgen; opstijgen; stijgen hoger worden
subir aangroeien; aanwassen; aanwinnen; aanzwellen; de hoogte ingaan; gedijen; groeien; groter worden; in de lucht omhoogstijgen; omhoog komen; omhoog rijzen; omhooggaan; omhoogstijgen; opstijgen; opzetten; rijzen; stijgen; toenemen; vermeerderen bevorderd worden; binnenrijden; bovenkomen; eindje meerijden; erop vooruit gaan; heffen; hijsen; hoger maken; hoger worden; hogerop komen; inrijden; lichten; naar boven gaan; naar boven rijden; omhoog brengen; omhoog doen; omhooggaan; omhooghalen; omhoogheffen; omhoogkomen; omhoogleiden; omhooglopen; omhoogrijden; omhoogschroeven; omhoogstappen; omhoogvoeren; ontspinnen; opgaan; opheffen; ophijsen; ophogen; oprijden; oprijzen; opstijgen; optillen; opvliegen; opwaarts rijden; rijzen; tillen; verhogen; vooruitkomen; vorderen; zich opwerken
surgir aangroeien; aanwassen; aanwinnen; aanzwellen; de hoogte ingaan; gedijen; groeien; groter worden; in de lucht omhoogstijgen; omhooggaan; opstijgen; opzetten; stijgen; toenemen; vermeerderen boven water komen; bovenkomen; in het hoofd opkomen; invallen; naar binnen vallen; omhoogkomen; ontstaan; opdiepen; opdoemen; opduiken; opkomen voor; oprijzen; opwellen; rijzen; van de bodem ophalen; verrijzen; voortkomen; weer verschijnen
venir hacia arriba de hoogte ingaan; in de lucht omhoogstijgen; opstijgen; stijgen omhoogrijzen; oprijzen; rijzen
OtherRelated TranslationsOther Translations
ascenso sprong; stijging
aumento sprong; stijging

Antonyms for "stijgen":


Related Definitions for "stijgen":

  1. omhoog gaan1
    • het water in de sloot is gestegen1
  2. een grotere waarde krijgen, hoger worden1
    • de prijzen in dit land zijn sterk gestegen1

Wiktionary Translations for stijgen:

stijgen
verb
  1. naar boven gaan, toenemen

Cross Translation:
FromToVia
stijgen subir ascend — to fly, to soar
stijgen aumentar; incrementar rise — of a quantity, etc: to increase
stijgen subida rise — action of moving upwards
stijgen aumentar; abultar; crecer augmenterrendre une quantité plus grande.

External Machine Translations:

Related Translations for steeg